maandag 6 maart 2017

(joods)-christelijke of liberale waarden?

Door immigranten staat onze (joods)-christelijke cultuur onder druk. Daarom moeten we weer trots zijn op onze (joods)-christelijke cultuur, die verdedigen tegen mensen die uit andere culturen komen en immigranten zich aan laten passen aan onze waarden. Dat is in een notendop een geluid dat de rechterkant van het politieke spectrum voortdurend laat horen.

Ik zou me daar als belijdend christen en dominee gevleid door kunnen voelen. Ik voel echter vooral verlegenheid. Dat heeft deels te maken met dat het onduidelijk is waar we precies over praten als het gaat om (joods)-christelijk. Is het de cultuur, zijn het bepaalde waarden, is het het historische christendom (de traditie), of allemaal? En op welke manier kunnen die dingen dan bedreigd worden door de islam?

Laat ik beginnen bij onze christelijke cultuur. Ik denk dan aan Bach, kathedralen en het laatste avondmaal van Leonardo da Vinci. Er is inderdaad een brede stroom van christelijke cultuur die we moeten koesteren. Ik heb echter niet de indruk dat dit direct door de islam wordt bedreigd, ik hoor er ook niemand over. Het enige wat ik op dit punt concreet gehoord heb ging over de bedreiging van het kerstfeest, een hardnekkige hoax die steeds terug blijft komen, maar die op valse geruchten is gebaseerd.

Als ik politici hoor definiëren waar het om gaat in onze (joods)-christelijke cultuur, dan noemen ze meestal een aantal waarden, of beter gezegd, vrijheden: (1) de vrijheid van meningsuiting, (2) godsdienstvrijheid, (3) de vrijheid om als homostel hand in hand over straat te lopen en (4) de gelijkheid van man en vrouw. En ik kan me inderdaad voorstellen dat deze vrijheden niet in elke moskee en bij elke moslim in veilige handen zijn. En zeker moslimextremisten vormen een regelrechte bedreiging voor deze vrijheden. 

Maar dan begint ook tegelijk mijn verlegenheid. Want ook het historische christendom heeft met alle vier die vrijheden problemen, en het huidige belijdende christendom heeft in elk geval nog flinke problemen met de laatste twee. Zelf zit ik in een kerkverband dat nog in 2013 heeft besloten dat het samenleven van homoseksuelen zonde is en waar vrouwen geen leidinggevende posities kunnen bekleden. En daarin zijn we geen uitzondering. Ook de katholieke kerk, wereldwijd de grootste kerk, deelt die visie.

En, als we het historisch bekijken, hoe lang kunnen homo’s eigenlijk al overal veilig hand in hand over straat lopen in Nederland zonder nageroepen te worden. 30 jaar, misschien 40? En de grote feministische golf waarin mannen en vrouwen als absoluut gelijk werden gezien ontstond in ongeveer diezelfde periode (de jaren '70). Beide bewegingen, de homo-emancipatie én de vrouwen-emancipatie, waren in elk geval deels een vijandige reactie op de tot dan toe dominante christelijke cultuur in Nederland.

En zo is er een tegenstrijdigheid in het spreken over (joods)-christelijke waarden. Er worden waarden als christelijk gepresenteerd die dat in het historische christendom niet zijn, en die in het huidige belijdende christendom nog altijd ter discussie staan.

Twee weken geleden zei Mona Keijzer (CDA) aan de tafel van Tijs dat het in Nederland is misgegaan vanaf de jaren ’70 omdat we vanaf toen onze christelijke wortels steeds meer zijn gaan relativeren. En ook zij legde een direct verband tussen onze vrijheden en de (joods)-christelijke cultuur. 

Echter, juist door de relativering van de christelijke wortels werden die vrijheden mogelijk. Niet voor niets werd een belangrijke vrijheid als het homohuwelijk pas tijdens de paarse kabinetten geregeld. En de tegenstemmers? Inderdaad, de christelijke partijen, waaronder het CDA. De paarse wetgeving kwam duidelijk tot stand vanuit het zich afkeren van de christelijke traditie. Dan is het onzorgvuldig om nu diezelfde vrijheden te gaan verdedigen als (joods)-christelijk.

Dan acht ik het taalgebruik van Lodewijk Asscher zorgvuldiger. Hij zei in het Rode Hoed debat dat hij liever sprak over onze liberale waarden. Want dat zijn deze vrijheden. Liberale waarden die de vrijheid van het individu en van religies ten opzichte van de staat benadrukken. Deze waarden zijn, zeker deels, voortgekomen uit het christendom, en ook goed met verschillende varianten van het christendom te verenigen. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze waarden, tenminste deels, bevochten moesten worden op het christendom en er ook nog steeds deels op gespannen voet mee staan. Daarom is het discutabel om precies deze vrijheden te labelen als (joods)-christelijk.

Problematisch wordt het als deze liberale vrijheden worden gelabeld als (joods)-christelijk om daarmee de islam negatief te labelen. Op die manier wordt de suggestie gewekt alsof de islam onverenigbaar is met deze waarden, terwijl dat historische experiment nog maar net begonnen is en toch ook wel enige hoopvolle vruchten laat zien. En tegelijk wordt de suggestie gewekt alsof we in Europa inmiddels al zo’n 1000 jaar rondlopen in een liberale samenleving. Dat is gewoon geen eerlijke voorstelling van zaken.

Ik heb er moeite mee als christelijke politici meegaan in het door Wilders gemunte taalgebruik over de jood-christelijk Nederland. En als ze het, net als Wilders, voortdurend gebruiken om zich af te grenzen tegen de islam. Waarom? Vooralsnog is er in Nederland slechts één partij die die verworven liberale dan wel (joods)-christelijke waarden in het verkiezingsprogramma echt fundamenteel onder druk zet en dat is de PVV (en niet DENK). Ik zou het daarom geweldig vinden als christelijke politici onze waarden met veel passie zouden verdedigen tegen de PVV. 


p.s. ik heb 'joods' steeds tussen haakjes gezet omdat volstrekt willekeurig de ene keer gesproken wordt over christelijke waarden en dan weer over joods-christelijke waarden. 

woensdag 4 januari 2017

Mijn ongemak met de huidige islamdiscussie

Voor wie het nog niet was opgevallen, ik ben de laatste weken ineens een tamelijk radicaal verdediger van de islam geworden. En dat is ongemakkelijk voor iemand die zich bewust is van het grote inhoudelijke verschil tussen islam en christendom. Islamkritiek is geen vies woord voor mij.  Van mijn theologische huis uit ben ik gewend aan een kritische omgang met de islam. Een stevige inhoudelijke discussie over de persoon van Jezus, de visie op het heilig boek en de rol van geweld in beide godsdiensten lijkt me zeer zinvol, omdat ik vanuit mijn christelijke perspectief wel een paar verschillen zie.

Dat jihadisme gevaarlijk is staat niet ter discussie. Dat vindt iedereen al. Volgens mij vindt ook iedereen dat dat met alle geëigende middelen moet worden aangepakt. Dat veel landen met een islamitische meerderheid nou niet bepaald voorbeelden zijn van democratie en vrijheid staat ook niet ter discussie. Maar momenteel spitst de discussie in de maatschappij, maar in het kielzog daarvan ook in de kerk zich toe op één vraag: is ‘de islam’ inherent gewelddadig?

Of de discussie zich zelf toespitst weet ik trouwens niet eens. Ik heb sterk het gevoel dat deze discussie op dit moment door ‘rechts’ aan de samenleving wordt opgedrongen. De rest van Nederland moet vinden dat de islam inherent gevaarlijk is. Een andere mening hebben is wegkijken.

Wat zijn de feiten?

Maar op basis waarvan moet ik dat vinden? Vanochtend verscheen in het AD een interview van Wierd Duk met Ruud Koopmans. Het artikel opent er mee dat wereldwijd 50 miljoen moslims bereid zijn geweld te gebruiken. Een getal dat indruk maakt. Je wordt er bang van. Hij beroept zich voor dat cijfer op ‘onderzoek’. Welk onderzoek is niet zichtbaar en hoe je die onderzoeken moet interpreteren wordt niet gevraagd. 

Maar goed, het gaat dan om ongeveer 5% van alle moslims. Je zou ook kunnen constateren dat 95% van de moslims niet bereid is geweld te gebruiken. Volgens hetzelfde artikel zijn nog eens 45% van de moslims intolerant: haat richting afvalligen, homohaat en de schending van vrouwenrechten worden genoemd als indicatie van die intolerantie. Opnieuw: niet helder wordt op welk onderzoek dit gebaseerd is en wat de criteria zijn. Wat is homohaat precies? En wanneer schend je rechten van vrouwen? En in hoeverre komen die opvattingen voort uit de islam, of leven ze breder in niet-westerse landen? In contacten met christenen uit dat deel van de wereld is duidelijk dat ook zij niet echt tolerant richting homo’s zijn.

Blijft over dat wereldwijd ongeveer 50% van de moslims tolerant zou zijn. Dat vind ik eerlijk gezegd nog een best hoog percentage. In elk geval te hoog om ‘de islam’ als zodanig gewelddadig te noemen.

Hoezo: bereid geweld te gebruiken?

In hetzelfde interview van Duk valt me nog iets op. In het interview zelf zegt Koopmans dat die 50 miljoen mensen bereid zijn ‘om geweld te accepteren – ook tegen burgers – om de islam te verdedigen’. In de inleiding van het artikel is dat ineens geworden: ‘Wereldwijd zijn 50 miljoen moslims bereid geweld te gebruiken’.

Semantisch zit er nog wel wat ruimte tussen het gebruiken van geweld of accepteren van geweld. Stel je voor dat je in Nederland een enquête zou uitzetten onder PVV-stemmers, of zelfs alle Nederlanders, met de vraag of ze ‘bereid zijn geweld te accepteren – ook tegen burgers – om de westerse waarden te verdedigen?’, dan ben ik benieuwd naar de uitkomst. Eerlijk gezegd, als je hem op de juiste manier uitlegt, zou ik er ook ja op antwoorden.

Sterker nog, momenteel verdedigen onze westerse vliegtuigen onze westerse waarden door IS te bombarderen, en dat er daarbij burgerslachtoffers vallen, hoe verdrietig ook, accepteer ik.

Wie kijkt er weg?

Stel je voor dat we nu met z’n allen gaan vinden dat ‘de islam’ een gewelddadige godsdienst is. En dat we dus ‘de islam’ erkennen als de enige bron van al het jihadistisch geweld, wat is dan het effect?

M.i. zal het effect zijn dat we met elkaar de ogen sluiten voor mogelijke andere oorzaken voor het jihadistisch geweld. Sociaal-economische oorzaken, oorzaken die te maken hebben met discriminatie van moslims in de westerse wereld, oorzaken die te maken hebben met een soms wat ongelukkig effect van westers ingrijpen in de Arabische wereld.

Door ‘de islam’ als enige oorzaak van jihadistisch geweld aan te duiden kijken we weg van mogelijke andere oorzaken en zullen we dit kwaad bestrijden met de verkeerde oplossingen.

Mijn positie is deze: inhoudelijke kritiek op de islam? prima. Jihadisme bestrijden? dat moet. Zowel op theologisch niveau als met wapens. Stellen dat ‘de islam’ inherent gewelddadig is? contraproductief en kortzichtig.  


Naschrift: vandaag verscheen er in het NRC een factcheck over het getal van 50 miljoen dat bereid is om geweld te accepteren. NRC tekent daarbij aan dat geweld accepteren niet hetzelfde is als geweld gebruiken. Voor veel cijfermateriaal zie het onderzoek van Pew dat ik onder ogen kreeg. Deze 50 miljoen moeten afgezet worden tegen de 1,6 miljard moslims wereldwijd. Dat is ongeveer 3%. 

vrijdag 9 december 2016

Proteststemmers lok je niet met oplossingen

Op de middelbare school hadden we eens tijdens een studiedag met de hele HAVO-VWO-afdeling tegelijk een lange pauze. Op een gegeven moment ontstond er een rellerige sfeer. We riepen dingen, er was wat duw- en trekwerk. Toen er een paar leraren aankwamen om de boel tot rust te manen keerden we ons met z’n allen tegen hen. De achtersten (waaronder ik) schreeuwden, de voorsten, daardoor aangemoedigd begonnen aan de leraren te trekken en te duwen. Die zagen uiteindelijk ook wel dat hun aanwezigheid niks aan de situatie zou verbeteren, en trokken zich terug in school. Toen was de lol eraf. Na een tijdje ging de zoemer en we gingen naar binnen.

Dit is volgens mij wat er aan de hand is onder Geert Wilders en zijn volgelingen in de richting van ‘de elite’. Wilders radicaliseert en zijn volgelingen radicaliseren mee. En alles wat redelijke mensen daar aan argumenten tegenover willen stellen wordt met hoongelach ontvangen. Dat komt van ‘de elite’, en  ‘die gaan we wegstemmen op 15 maart’. Toen Diederik Samsom afgelopen week zei dat hij de problemen van de Wilders-stemmers wilde oplossen, werd hij met hoongelach ontvangen. Proteststemmers lok je niet met oplossingen. En dat geldt vooralsnog voor elke politicus die in dezelfde electorale vijver probeert te vissen. Het volk wil de echte Wilders, geen slap aftreksel, het volk is in een fase van rellerigheid terechtgekomen waarin er geen praten meer aan is. Het volk ruikt het bloed van de elite.

Er is op de korte termijn geen oplossing voor dit probleem. Het geluid van het volk nog luider laten klinken zal dat geluid alleen maar verder normaliseren. De reële zorgen van mensen serieus nemen moet natuurlijk. Oplossingen bieden voor reële problemen van mensen in de marge ook. Maar dat moest ook al voordat Wilders op het toneel verscheen. Daar worden politici voor betaald. Dominees ook trouwens. Maar het is geen remedie om de Wilders-stemmer mee te paaien. Voorlopig is het enige wat de redelijke krachten in de politiek te doen staat het opwerpen van een cordon sanitaire tegen Wilders. De deur dicht doen en één front vormen. Tot de lol eraf is en de zoemer gaat. Hopelijk op tijd.

zaterdag 3 december 2016

Het touwtje van Terlouw: boodschap aan alle kapot-duiders

Zeven minuten luisterde half Nederland ademloos naar een breekbare oude man die een beeld schetste van Nederland. In een toespraak waar werkelijk alles goed aan was. Geen grote woorden, twee heldere punten, en een aansprekend beeld (touwtje). Niet alleen vertellen wat er niet goed gaat, maar ook een oplossingsrichting schetsen. En dat in zeven minuten. Zonder dat ik één moment de neiging kreeg om op twitter te kijken. 

En ik ben blij dat half Nederland liever luistert naar een opa die een visioen durft te schetsen dan naar politici die met woorden afbreken, kleineren of de boel weglachen. 

Een dag later begon het kapot-duiden van de toespraak al. In christelijke hoek: “kan uit D66 iets goeds voortkomen?” Heeft D66 zelf niet de samenleving gemaakt tot wat het nu is? Vanuit een andere hoek wordt Terlouw een valse nostalgie naar de jaren ’50 verweten. Die touwtjes uit de brievenbus konden er immers alleen maar hangen omdat de huisvrouw thuis was? 

De laatste weken is vaak gezegd dat degenen die op Trump gestemd hebben hem niet letterlijk hebben genomen, maar wel serieus. In plaats van de rest van de wereld die hem letterlijk nam en niet serieus. Eenzelfde variant zou ook opgaan voor de Wilders-stemmer. Of het voor hen opgaat weet ik nog niet zo zeker. 

Maar dat het voor Terlouw opgaat lijkt me helder. Als je de toespraak van Terlouw verstaat als een oproep om letterlijk een touwtje uit je brievenbus te hangen dan heb je weinig van profetisch taalgebruik begrepen. Met dat touwtje roept Terlouw een beeld op van een gelukkige en onbezorgde jeugd, die ook ik, 50 jaar later had, zonder touwtje overigens. Een onbezorgde en gelukkige jeugd die hij ook nieuwe generaties gunt. 

Terlouw schetste met één beeld een visioen van een betere wereld. Net zoals de bijbelse profeten dat konden. “Iedereen zal zitten onder zijn wijnrank en onder zijn vijgenboom, door niemand opgeschrikt, want de HEER heeft het gezegd.” Zo’n enkel beeld heeft de kracht om een hoopvol perspectief neer te zetten. Zo’n perspectief moet je niet gaan bevragen op: mag het ook een appelboom zijn? En: stel dat iemand twee vijgenbomen heeft, moet hij er dan één afstaan? Het gaat om het beeld van rust en vrede. Een krachtig beeld voor wie zich erdoor laat meenemen. 

Het was de kracht van de mythe die volgens Beatrice de Graaf Trump zo groot maakte. Een mythe waar het gewone politici zo vaak aan ontbreekt. Jan Terlouw levert een korte en krachtige mythe. Die mythe kapot-duiden lijkt me onverstandig. 

In een vorig blog heb ik de kracht van woorden die een eigen werkelijkheid kunnen scheppen benoemd. Ik ben heilig overtuigd van de kracht van woorden: negatieve en positieve. Het Woord heeft scheppingskracht, ten goede en ten kwade. 

Momenteel hebben we twee mythen: de mythe van een groot Nederland zonder moslims en met dichte grenzen, een mythe waarin vrijheid wordt gezien als het recht om zoveel mogelijk mensen zo hard mogelijk te beledigen. Of een mythe van een open Nederland met een touwtje door de brievenbus. Ik hang het touwtje vast door de brievenbus. 

maandag 28 november 2016

Eenheid: waarom principieel en pragmatisch soms niet samengaan

Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft (Efeze 4:3)

Afgelopen week nam de Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken het besluit dat niet-christelijk-gereformeerde-ambtsdragers naar de classis afgevaardigd mogen worden, maar zonder stemrecht. Een voorstel waarin geprobeerd is tegelijk 'principieel en pragmatisch' te denken.

De principiële lijn is: Een classis is een vergadering van plaatselijke kerken, een ambtsdrager is ambtsdrager van een plaatselijke kerk en wordt namens een kerk met last en macht afgevaardigd naar een classis. Een plaatselijke kerk, ook als samenwerkingsgemeente, is principieel één kerk, en kan dus principieel zijn ambtsdragers afvaardigen naar een classis. Ongeacht het oorspronkelijke kerkverband van die ambtsdrager.

De pragmatische lijn is: sommige kerken en personen in ons kerkverband hebben veel moeite met de NGK en GKV, ze maken zich zorgen over de ontwikkeling in die kerken. Zij worden er onrustig van als ambtsdragers van deze kerken mogelijk iets te zeggen krijgen in onze vergaderingen.

Dat resulteert in het besluit: afvaardigen ja, maar dan zonder last en macht. Iets wat bij mijn weten ook nu al mogelijk was, dus wat er precies nieuw aan is, is mij onduidelijk.

Rondom het besluit wordt volmondig beaamd dat het een verlegenheidsbesluit is. Woorden als ‘gebrokenheid’ en ‘spagaat’ worden in de mond genomen.

Hoe kan het dat dit besluit dan zo genomen is? Ik zie twee mogelijkheden.
  1. De meerderheid van de synode heeft moeite met GKV- en NGK-ambtsdragers op de CGK-classis. Dit lijkt me sterk, want rondom dit besluit hangt wel een sfeer van: in de toekomst komt er mogelijk meer ruimte. En er wordt ook niet opgeroepen om de samenwerkingsgemeenten weer te ontmantelen.
  2. De meerderheid van de synode houdt rekening met de moeite en gewetensnood van de minderheid. Op zich een christelijke houding (Fil. 2:4). Dit lijkt mij de achtergrond van het besluit.
Het besluit kun je dus zien als het meebuigen met gewetensnood van een deel van de kerken tegen iets dat principieel juist is.

En dan zie ik een probleem. Er ontstaat namelijk, door dit besluit, ook gewetensnood bij de samenwerkingsgemeenten (plaatselijke kerken). Hun ambten worden in dit besluit niet ten volle erkend. En dat is niet alles. Uiteindelijk gaat het erom dat sommige leden van zo’n samenwerkingsgemeente door één van beide kerkverbanden niet ‘ten volle’ als broeders en zusters erkend worden. En daar zit hem het punt waarop de gewetensnood in deze gemeenten een zeer principiële kleur krijgt. Er wordt niet voldaan aan het Bijbelse gebod om elkaar te aanvaarden zoals Christus u heeft aanvaard (Rom. 15:7). Het is een aanvaarding tot op zekere hoogte. En Christus aanvaardt ons niet tot op zekere hoogte.  

Kortom: de synode kiest dus voor het meebuigen met broeders en zusters met gewetensbezwaren tegen iets dat principieel juist is, ten koste van broeders en zusters die gewetensbezwaren hebben tegen iets dat principieel onjuist is.

Nergens in het Nieuwe Testament waar broeders en zusters elkaar niet volledig aanvaarden als broeders en zusters wordt er gekozen voor een lijn die tegelijk ‘pragmatisch en principieel’ is. De oproep tot een aanvaardende eenheid mét consequenties daaraan verbonden klinkt door alle brieven van Paulus heen. Het Nieuwe Testament is diep doordrongen van het feit dat kerkelijke eenheid niet een van de opties is, maar behoort tot het hart van het kerk-zijn. Op het moment dat je van het brood eet word je één met het hele katholieke lichaam van Christus. En Hij heeft maar één lichaam (1 Kor. 10:16-17). Ongeacht wat jouw persoonlijke smaak of voorkeur over sommige van die lichaamsdelen is. Alleen vanuit dat diepe besef mag er over kerkelijke eenheid gesproken, gedacht en gebeden worden. Ook door mij.

En anders?

Anders is het de grote vraag of we bij het eten en drinken wel beseffen dat het om het lichaam van de Heer gaat (1 Kor. 11:29).


P.S. over de principieel kerkrechtelijke achtergrond zie deze blog

maandag 21 november 2016

Opgeklopte boze burgerij

In de mooie jaren ’90, mijn tienerjaren, las ik vrijwel elke maand het blad Sta Vast (het huidige sta-pal), de maandelijkse periodiek van het Oud StrijdersLegioen (OSL). Mijn opa was abonnee. Het was een blad waarin steevast dingen benoemd werden, zoals het feit dat er in onze gevangenissen veel meer Marokkanen en Turken zaten dan autochtonen. Het failliet van de Multiculturele Samenleving werd breed uitgemeten, en alles ter linkerzijde van de CDA was verdacht. Ik las dat gretig en was zo rond mijn 16e verjaardag veranderd in een boze burger. Aan tafel debiteerde ik wijsheden als: “Marokkanen zijn allemaal crimineel” en “Turken zijn lui”. En met mijn toen al sociaal bewogen zus had ik hoogoplopende discussies die van haar kant meestal eindigden in een schreeuwend: “je moet je naaste liefhebben als jezelf!!”, en van mijn kant met een even hard schreeuwend: “ze moeten allemaal het land uit.” O ja, ik was niet racistisch, maar de Turken en Marokkanen verpestten het voor zichzelf met hun gedrag.

Als ik nu terug denk kan ik geen enkele reden bedenken waarom ik boos was. De enige keer dat ik Turken en Marokkanen ontmoet had was op een schoolcompetitie bij het allerminst gewelddadige spelletje dammen. En de enige keer dat ik op straat ben afgeranseld was dat door twee roomblanke katholieke jongens, die ik eerst de huid had volgescholden. Mijn vader had een goede baan bij de semi-overheid en we hoorden zeker niet bij de verliezers van de globalisering. Verder zat ik op het VWO en lag de wereld voor me open.

Waarom was ik dan zo boos? Ik kan maar één reden bedenken. Ik was boos gemaakt. Door wat ik las. Door mensen die schreven dat de overheid alle problemen die buitenlanders veroorzaakten negeerde. Het soort boosheid dat groeit naarmate je vaker hoort dat de politiek niks doet met de zorgen van gewone (lees: blanke) burgers en ondertussen de multiculti’s vertroetelt. De reële problemen die er in sommige grote steden waren vielen compleet buiten mijn leefwereld. Ik was nog nooit in een grote stad geweest. Maar toch was ik boos. En racistisch.

Sinds de overwinning van Trump wordt in een wilde paniek van alle kanten (politiek en pers) geroepen dat we meer moeten luisteren naar de stem van de ‘gewone man’, dat we de opvattingen van de ‘boze burgers’ in de media meer ruimte moeten geven. Dat lijkt mij een bijzonder slecht idee. De boosheid die we momenteel in de samenleving vinden is voor een groot deel een opgeklopte boosheid. Opgeklopt door boze woorden van boze politici en boze weblogs. Wat we op dit moment zien is de kracht van woorden. Woorden, mits goed gekozen en vaak genoeg herhaald, scheppen een eigen werkelijkheid. En rechts is daar veel bedrevener in dan links.

Nu benoemen de nieuwe nationale volkssport is geworden zou ik graag één ding benoemen. Nederland is in een jaar of 15 van een progressief land een racistisch land geworden. Niet door de economische crisis, de globalisering of sociale onrust in gekleurde wijken. Maar door de kracht van woorden die een latent racisme naar boven hebben gehaald. Een racisme dat zich een weg naar buiten vreet via Facebook en dat zijn institutionele gezicht heeft gekregen in de persoon van Geert Wilders. Er is maar één manier waarop we de PVV-stemmers serieus kunnen nemen, en dat is door hen tegen te spreken en het racisme te benoemen. Bevindelijk christelijk gesproken: je helpt een zondaar alleen door hem aan zijn zonde te ontdekken en niet door allerlei verzachtende omstandigheden te zoeken.

Wat dat betreft zijn de huidige frames die gebruikt worden om de PVV-stemmers aan te duiden zoals ‘bezorgde burgers’, ‘boze burgers’ en ‘de gewone man’, buitengewoon ongelukkig. Ze verbloemen het persoonlijke kwaad en de persoonlijke verantwoordelijkheid van een ieder voor zijn of haar PVV-stem. Want hoe groot je persoonlijke problemen ook zijn, ze kunnen nooit een reden vormen om op een partij als de PVV te stemmen. Daarvoor is een vluchtige blik op het verkiezingsprogramma van die partij voldoende.